Boek 3: Ivo Victoria – Billie & Seb

billie-seb

Het zijn van die dingen waar je anderen nooit naar vraagt, maar ik heb een archief in mijn hoofd van huizen (compleet met plattegrond en inrichting en sfeer en alles) en als ik een boek lees dat zich grotendeels binnenshuis afspeelt, dan komt daar zo’n huis bij in mijn verbeelding tijdens het lezen. Lange tijd was dat gewoon mijn ouderlijk huis, het huis waar ik woonde toen ik een jong kind was. Ook al ben ik verhuisd op mijn 9e, het huis van na mijn 9e diende nooit als decor voor een boek, nooit, het was altijd dat ene, eerste huis. Alle personages van alle boeken die ik las, woonden in dát huis (tenzij een schrijver het huis van zijn/haar personages zó goed beschreef, dat ik me een andere voorstelling kon maken, maar dat gebeurde opmerkelijk weinig). Later kwamen daar tijdens het lezen (je maakt je toch altijd een voorstelling van de omgeving van de personages) meer huizen bij, misschien omdat ik door het ouder worden en mijn levenservaring gewoon meer huizen vanbinnen had gezien, misschien omdat mijn fantasiewereld zich uitbreidde, misschien omdat mijn verbeeldingskracht groeide, misschien omdat ik gewoon betere boeken las waarin schrijvers de ruimte beter konden oproepen, misschien omdat ik zelf gewoon nauwkeuriger las, misschien omdat… wie zal het zeggen?

Het gekke is dat ik bij Billie & Seb een specifiek huis in mijn gedachten had tijdens het lezen, dat ik zeker weten nog nooit in het echt gezien heb. De schrijver heeft het dus bij me opgeroepen. Toch bekroop me tijdens het lezen steeds zo’n gevoel dat ik dit huis al kende. Het huis waar Seb (17) woont met zijn kleine zusje Liza en de moeder en de vader. De oom is er ook vaak. De namen van de moeder, de vader en de oom worden slechts één keer genoemd in het hele boek, verder heten ze steevast ‘de moeder’, ‘de vader’ en ‘de oom’. Zo spreken ze elkaar ook aan. Seb en Liza worden als enigen in het huis bij hun naam genoemd. Billie, het veertienjarige Aziatische meisje waar Seb een bijzondere band mee heeft, heeft ook een naam. Veel meer dan alleen een naam zelfs, maar daarover later meer. Alle andere personages hebben ook gewoon namen. Het feit dat alle personages namen hebben, behalve die paar volwassenen, doet iets met de moeder, de vader en de oom voor jou als lezer. Er is afstand. Seb ervaart afstand. De volwassenen ervaren ook afstand tot Seb. De vader benadrukt regelmatig dat ze het moeten volhouden tot Seb achttien is, dan zijn ze ‘ervan af’, dan is Seb hun verantwoordelijkheid niet meer.

Waar kende ik dit huis dan van? Waarom kwam het huis me zo bekend voor, terwijl ik er nog nooit geweest was? Waarom had ik deze specifieke voorstelling van Sebs huis? Ineens wist ik het: het was hetzelfde huis als dat ik in gedachten had bij het lezen van Lize’s Spit Het smelt. De opgeroepen sfeer kwam voor mij overeen: in beide boeken een huis in een afgelegen, klein dorp, op afstand van ‘de stad’. Een huis binnen een gemeenschap waar men elkaar kende. Een gemeenschap met een geschiedenis. Een geschiedenis met geheimen. Een huis waar afstand heerste tussen de kinderen en de volwassenen. Een omgeving rondom het huis waar de leefwereld van de kinderen zich bevond. Een eigen wereld. Een omgeving waar opgroeien centraal stond, de band tussen kinderen, jongvolwassenen. En boven alles een omgeving en een huis waar het onheil vanaf de eerste bladzijde nadert. In Het smelt is het een ijsblok, in Billie & Seb een geweer, en je wéét, je voelt aan álles: daar gaat iets mee gebeuren en het gaat noodlottig zijn. Tot zover de overeenkomsten. Ik zou het huis vanbinnen exact kunnen beschrijven zoals ik het voor me zie, uittekenen zelfs, maar dat wil ik u onthouden, omdat ik toch geen enkele lezer het recht wil ontnemen zich zélf een voorstelling te maken van de leefwereld van Seb.

Waar het boek dan over gaat? Seb is een zeventienjarige jongen die de dingen die mensen zeggen vaak niet goed begrijpt. Mensen zeggen vaak iets anders dan ze bedoelen en dat is frustrerend. Seb begrijpt alleen letterlijke uitspraken. Hij krijgt veel prikkels binnen en voelt zich het prettigst als het donker is om hem heen, zodat hij veel kan filteren, zodat hij rust ervaart. Van jongs af aan loopt hij vaak met een zwarte bivakmuts op zijn hoofd, de moeder kon het niet tegenhouden. Nu hij ouder is, en zijn zielsverwant Billie (de enige met wie hij ooit écht een band heeft kunnen sluiten) in coma ligt in één van de hoge torens van het ziekenhuis, verstopt hij zich onder de dekens van zijn bed, om die donkerte weer te ervaren. De volwassenen vinden het beter dat hij haar niet opzoekt. Maandenlang kan hij alleen van buitenaf naar die torens kijken. Op het moment dat hij van de vader en de moeder met Kerstmis een geweer krijgt en daarmee weer meer buiten komt en vrienden opzoekt om ‘oorlogje’ te spelen, denken de volwassenen dat het tij gekeerd is. Thuis vinden ze hem ‘aangenaam’. Seb is op zoek naar gevoel:

‘Hij wil geen bril of helm,’ zei de moeder. Ze haalde verlegen haar schouders op. ‘Nee, Seb niet,’ zei de vader. ‘Hoe zei hij het ook alweer, moeder? Wat voor zin heeft het om raak te schieten als…’ ‘…als de ander niks heeft,’ vulde de moeder aan. ‘Of zoiets. Als je niet gekwetst kunt raken, is het ook niet spannend. Zoiets. Hij zei het mooier.’ (blz. 85)

Voor Seb is het geweer van grote betekenis:

Door de lens van de richtkijker zag hij schokkerige beelden. Een bewerkte opname van de werkelijkheid die Ferdi er opeens kwetsbaar uit deed zien. (…) Hij had zijn beschermende bril op, regendruppels liepen over de glazen, waardoor niet alleen zijn gezichtsuitdrukking maar ook zijn ogen niet te lezen waren. Hij was het type dat altijd overal een antwoord op had. Het was nooit duidelijk wat hij bedoelde, daarvoor sprak hij te veel, te snel, te soepel. Altijd bewoog zich iets ónder zijn woorden door, een muis onder een houten vloer die emotieloos op de grond lag. Je wist dat die vloer leven verborg, iets wat er woelde. De meeste mensen konden zich een beeld vormen van hoe zo’n muis eruit zou zien. Seb zag niks. Hij wist alleen dat het er was, instinctief, als een dier. Het was er en hij wilde het te pakken krijgen. Hij laadde de Sniper door. Klik klak. Orde. Rust. (blz. 131)

Ik vind het zo’n mooie manier van uitleggen. In Sebs hoofd kan ik me bijna voorstellen dat een wapen urgentie kan hebben. Seb heeft dringend orde en rust nodig. Hij zoekt er wanhopig naar in het web van warboel om hem heen. Je vraagt je af of het geweer de plaats van Billie heeft ingenomen. Nu Billie niet meer bij zijn gevoel kan komen, niet kan helpen ordenen en steeds verder vervaagt in herinnering, heeft Seb iets anders nodig. Billie was voor niets of niemand bang, Billie leefde ook in haar eigen wereld. Ze werd geadopteerd en kon hier tijdenlang niet aarden. Daarom voelde hij zich bij haar niet alleen. Zij zag hem. Hun eerste ontmoeting was op het schoolplein. Billie naderde Seb met de woorden: ‘Hoi, ik ben Billie, een geest. Wat ben jij?’ Het gesprek vervolgde: ‘Ik ben Seb.’ Billie vroeg: ‘Maar wat bén je?’ ‘Seb. Gewoon Seb.’ Billie zegt Seb dat ze altijd bij hem is. Gedurende het hele boek lezen we dat ook. Seb denkt bij alles wat hij doet aan Billie. Wat zou zij zeggen? Wat zou zij ervan vinden? Als Seb weg moet uit de prikkels van alledag, denkt hij aan haar en wordt alles licht. Billie zorgt voor diepe overdenkingen, het boek staat vol uitspraken van haar die het citeren waard zijn:

Billie had eens gezegd: ‘Denk je dat er een eindige hoeveelheid pijn is in de wereld die zich telkens anders verdeelt? Wanneer iemand ergens een doorn uit zijn huid haalt en de wonde heelt, verplaatst die pijn zich dan naar iemand anders?’ (blz. 150)

Je begint je als lezer langzaam maar zeker wel af te vragen of Billie een echt personage is, of alleen leeft in Sebs hoofd. Voor beide kanten zijn aanwijzingen te vinden in het boek. Het feit dat Billie zich bij de eerste ontmoeting aan Seb voorstelt als een geest, en dat dit fragment meerdere keren terugkomt in het boek, pleit voor de tweede optie. Evenals de droom die Seb halverwege het boek heeft waarin Billie wordt geopereerd. Toen ze opengesneden werd door de chirurg (Seb zelf!) bleek ze helemaal leeg te zijn. Alleen zand, strandzand, zat er in haar lichaam. Ze bleek onuitputtelijk te zijn, onuitputtelijk niets. Het zand raakte nooit op. Er komen andere personages de gang op en Seb zegt dan: ‘Ze is leeg, helemaal leeg. Als je het mij vraagt, heeft ze niet eens ooit echt geleefd.’ (blz. 159) Toch spreekt Sebs moeder met de moeder van Billie, Marian. Marian komt meerdere keren voor in het verhaal. Ook de trampoline van Billie komt uiteindelijk in Sebs tuin terecht. De trampoline was Billie’s lust en leven. Tijdens haar coma konden haar ouders dat ding niet meer zien. Ze kwamen de trampoline als herinnering bij Seb bezorgen, voor ze zelf verhuisden, weg van deze plek. Weg van het onheil. Naar de stad.

Met Billie & Seb speelt Ivo Victoria met de vraag of we in staat zijn werkelijk te voelen in een wereld die al lang niet meer bevochten hoeft te worden. Of moet dat laatste toch? Het deed me denken aan het vorige boek dat ik besprak, Een woord een woord van Frank Westerman. Het gesprek tussen de vrienden van Seb, wanneer ze al vergevorderd zijn in hun ‘spel’ met de geweren, roept hetzelfde type vragen op als Westerman doet in zijn boek:

‘Weet je, John. Als je iets wil veranderen kan je beter terrorist worden,’ zei Ferdi. ‘Schijnt hip te zijn.’ Hij legde aan met de Kalasjnikov, zwaaide met de loop van links naar rechts terwijl hij een oog dichtkneep, legde het wapen weer neer. ‘Dat is waar,’ zei Sam. ‘Outsiders en rebellen krijgen meer respect en bewondering dan de autoriteiten.’ (…) ‘Mja. Om nu heel leven tegen de rest van de wereld te vechten en bitter en teleurgesteld dood geknald te worden met de vaststelling dat ik niks heb bereikt. I dunno. Zelfs Jezus had zijn twijfels op het eind,’ zei Ferdi. ‘Die gekken lijken nochtans niet te twijfelen,’ zei John. ‘Ze kunnen er ook niet echt van genieten,’ antwoordde Ferdi. (…) ‘Let’s make the world a better place,’ zei John. Hij hield het handpistool in zijn rechterhand, met gestrekte arm en zijn linker geklemd om zijn pols, en wenkte met zijn hoofd de anderen naar de deur. ‘Desnoods met geweld. O yeah. Verantwoordelijkheid nemen, vriend. Verantwoordelijkheid. Moesten meer mensen doen.’ (blz. 241)

Opvallend aan de structuur van het boek is dat de hoofdstukken geen titels hebben, ook geen nummers, op de hoofdstukken over Billie en Seb na! Alleen díe hoofdstukken hebben een naam: Billie & Seb #1 tot en met Billie & Seb #8. Daaruit concludeer ik dat dat dus de verbinding is waar het écht om gaat. Daarmee werd Sebs wereld in ieder geval a better place.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Boek 2: Frank Westerman – Een woord een woord

een-woord-een-woord-westerman

Vroeger hadden we het duel. De uitgedaagde kon niet weigeren. (…) Maar nu heeft de polemiek de plaats van het duel ingenomen. Pleidooi tegenover requisitoir. Hoor tegenover wederhoor. Heb je een geschil, dan ga je verhaal halen – bij ombudsman of rechter. Nationale en internationale kwesties laat je uit jouw naam bepleiten door anderen. Afgevaardigden. Dat gaat netjes, per toerbeurt, via de interpellatiemicrofoon. Wanneer gingen onze volksvertegenwoordigers voor het laatst met elkaar op de vuist? Parlement komt van parler. Eerste termijn, tweede termijn. Debatwedstrijden op scholen heten battles – zo ver heeft de beschaving ons gebracht. De keerzijde is dat we weerloos zijn geworden tegen zaaiers van dood en verderf. (blz. 103)

Kan het woord het ooit winnen van geweld? Dat is de vraag die centraal staat in Een woord een woord van Frank Westerman dat in 2016 verscheen bij De Bezige Bij. Onze wereld wordt recent opgeschrikt door terroristische aanslagen (Charlie Hebdot, IS) en het lijkt alsof dergelijke aanslagen steeds vaker plaatsvinden, maar terrorisme, gijzelingen en geweld kennen een geschiedenis. Westerman gaat op zoek naar de oorsprong en de onderliggende mechanismes.

Westerman neemt ons mee en hij begint dichtbij huis, met ervaringen vanuit zijn eigen jeugd: de Molukkers die strijdden onder de vlag van de RMS: de Republik Maluku Selatan. Hij was een kind ten tijde van de treinkapingen in de jaren zeventig en het ontstaan van ‘de Dutch Approach’ om te onderhandelen (práten) met gijzelnemers. Een groot deel van het boek staat de geschiedenis van de Molukkers in Nederland centraal. Op mij maakt het indruk omdat ik in mijn jeugd ook aan de rand van een Molukse wijk woonde. Als kind ving ik wel verhalen op, maar ik wist nooit precies hoe het nou zat, een verhaal met een klok en een klepel. Er was ook niemand die het mij uitlegde. In mijn klas zaten Molukse kinderen en in mijn wijk speelde ik met ze. Onderscheid zag ik niet, maar ik was jong en het was al later: in de jaren tachtig en negentig.

De Zuid-Molukkers kwamen in 1951 voor een tijdelijk verblijf naar Nederland, met de belofte van de Nederlandse regering dat zij op de Molukken hun eigen staat zouden kunnen stichten. Zij verbleven in Nederland in eerste instantie in voormalige concentratiekampen, meestal in slechte omstandigheden. Daarna ontstonden Molukse wijken, vooral in het noorden van het land. Nadat de Molukkers een generatie lang hadden gewacht op inlossing van de belofte van de Nederlandse regering, wilde een deel van de jonge generatie hun situatie niet meer accepteren en ging in de jaren zeventig van de twintigste eeuw over tot radicale acties. In 1975 waren er tegelijkertijd de treinkaping bij Wijster (tussen Beilen en Hoogeveen) en de bezetting van de woning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar, in 1977 tegelijkertijd de treinkaping bij De Punt (tussen station Assen en Haren) en de gijzeling in een lagere school in Bovensmilde. In 1978 was er dan nog de gijzeling in het provinciehuis in Assen.

Westerman beschrijft deze gijzelingen gedetailleerd. Hij heeft in de eerste plaats aandacht voor de achtergrond van de kapers. Zo drinkt hij muntthee met een ex-treinkaper die na zijn gevangenisstraf dichter is geworden (hij vraagt zich af hoeveel Nederlanders weten wat de Politionele Acties zijn). Je realiseert je als lezer hoe doodgewone jongens -jongens waren zij!- overgaan tot radicale acties. Zo schrijft Westerman over een ander:

‘Er is een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten.’ Dit zinnetje uit Prediker gaf voor kaper Paul de doorslag om mee te doen, en om te doden. Kennelijk kon een geschrift, al was dat duizenden jaren oud en afkomstig uit een ander werelddeel, aanzetten tot moorden. Woorden waren gemaakt van zuurstof, zacht als de wind zou je denken, maar ook geschikt om brand aan te blazen. (blz. 40)

Het geschrift als ‘goedkeuring’ voor geweld, zo horen we het vaker in de media, al ligt nu de Koran geregeld onder vuur. Ligt het echt aan de woorden? Of aan de interpretatie ervan?

In de tweede plaats analyseert Westerman de mensen die een rol speelden in de onderhandelingen om de gijzelingen ten einde te brengen. De Nederlandse psychiater Dirk Mulder is zo’n sleutelfiguur in de onderhandelingen, een autoriteit op dat gebied. Over hem schrijft Westerman:

In de kranten van destijds vond ik één uitspraak van hem die getuigde van zelfreflectie: ‘Je vraagt je af wat de ander, de man of de vrouw met het geweer, scheidt van jezelf. En welke overeenkomst je ervaart.’ Al zijn andere uitlatingen blonken uit in stelligheid. Over het inwilligen van voedseleisen (…) of over het gebruik van een megafoon. (blz. 74)

Zelf volgt Westerman een training tot gijzelingsonderhandelaar in een oefendorp van de politie. Hij wil ervaren hoe het is en maakt de lezer daarvan deelgenoot.

De vraag wordt in steeds andere bewoordingen gesteld gedurende het hele boek: Wat kan een redenaar uitrichten tegen een moordenaar? Kunnen woorden opgewassen zijn tegen kogels? Wat voor woorden? Als taal en terreur het duel met elkaar aangaan, welke van die twee legt het dan af? (blz. 14) Wanneer, vraag ik, ben je als machteloze, onderliggende partij uitgepraat en grijp je naar een geweer? (blz. 58) Jezelf leren verwoorden – is dat wat er nodig is om geweld te kunnen afzweren? (blz. 116) Liggen taal en terreur zo lijnrecht in elkaars verlengde? Hapert de eerste, neemt de tweede dan automatisch het heft in handen – zoals een stotterend kind op het schoolplein van zich afslaat als het gepest wordt? (blz. 174)

Antwoorden komen er ook, voorzichtig, zij het sporadisch, want die zijn veel moeilijker:

Het ging om het ‘niet gehoord worden’. Op het hoogste politieke niveau, maar ook op school of op je werk. De Molukkers werden doodgezwegen, zo voelde het. ‘Stel je eens voor: je hebt een brandende zaak maar er is niemand die naar je luistert.'” (blz. 58)

Hoewel de Molukse geschiedenis als een rode draad door het boek verweven is, schrijft Westerman ook over zijn tijd als correspondent in het oplaaiende geweld in Tsjetsjenië, over de IRA, over Cuba, over de Palestijnse kwestie. Hij zoekt overal parallellen, zelfs een verwijzing naar Saïdjah en Adinda uit Multatuli’s Max Havelaar blijft niet uit.

Het is een boek met een grote informatiedichtheid, je moet je aandacht er goed bijhouden. Daarom kostte het mij wat langer dan de door mijzelf opgelegde week om het boek te lezen. Een woord een woord is leerzaam, vanwege de vele geschiedenislessen die Westerman er terloops in verwerkt, maar vooral zet het tot denken aan. Je voelt de urgentie. Dit móest geschreven worden, nu, in deze tijd. Ik sluit mijn tekst dan ook graag af met het volgende, treffende, citaat:

Tussen schrijvers en terroristen bestond een merkwaardige overeenkomst – daar had Don DeLillo begin jaren negentig al op gewezen: beiden voeren ‘aanvallen uit op het menselijk bewustzijn’ in een poging ‘het innerlijke leven van een cultuur te veranderen.’ (blz. 131)

————————————————————————–

Meer lezen over Molukkers en hun geschiedenis?

Klik hier voor een aantal documentaires van 2DOC, samen met bijdrages van de NOS en De Correspondent.

Klik hier voor een bijdrage van Brandpunt.

Geplaatst in terrorisme | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Boek 1: Stefan Hertmans – De bekeerlinge

hertmansdebekeerlinge

Zojuist sla ik het boek De bekeerlinge van Stefan Hertmans dicht. Het eerste wat ik denk, is: wat is ons leven eigenlijk maar een fractie van de oneindigheid. Tegelijk met: de geschiedenis bestaat nog. De bekeerlinge verscheen in oktober 2016 bij De Bezige Bij en in de eerste week van 2017 las ik het. Het verhaal heeft me meegevoerd naar de middeleeuwen, de tijd van de standenmaatschappij, het feodale systeem en uiteindelijk de kruistochten die heel Europa teisterden. Paus Urbanus II dacht de christenwereld weer hecht aaneen te smeden door op 27 november 1095 op te roepen tot de eerste kruistocht om Jeruzalem te heroveren: de heilige oorlog. De catastrofale gevolgen zijn niet te overzien.

Waar ik normaal gesproken niet zo te porren ben voor verhalen die zich afspelen in zo’n ver ‘verloren’ tijd, werd ik door dit boek onmiddellijk gegrepen. Hertmans heeft het voor elkaar gekregen dat ik me kon identificeren met zijn personages en met hem. Inderdaad, met zijn personages én met hem, want Hertmans voert zichzelf ook op in het boek, gewoon in onze huidige tijd. Hij schreef het boek tussen september 1994 en juli 2016. Hij deed veel research. De 314 pagina’s vertellen dan ook afwisselend over zijn eigen zoektocht naar het verleden en over de personages die in zijn verbeelding zijn gaan leven. Die verbeelding moet beklemmend dichtbij de werkelijkheid zijn gekomen, want Hertmans heeft zich gebaseerd op een groot scala aan bewaard gebleven bronnen, waar hij je als lezer deelgenoot van maakt. Daarmee lijkt de tijd waarin het verhaal van Hertmans verbeelding speelt, zo rond het jaar 1100, ineens helemaal niet meer zo ‘verloren’. Er is nog zoveel van over, en tegelijk zo weinig. Dat is de ervaring die je krijgt tijdens het lezen.

Met het gekozen motto bij dit boek zinspeelt Hertmans er al op: “De vorm van de tijdloosheid is het hier en nu.” (uit: Thomas Mann, Jozef en zijn broers). Het intrigerende fenomeen tijd wordt nog veel vaker een motief in dit boek, getuige passages en zinnen als:

De dagen kennen geen uren. Je kunt naar een zonnevlek staren die over een ruwe vloer schuift, een soort wit licht dat lijkt te rillen en in de late middag tegen de muur opklimt voor het verdwijnt. Niets gebeurt, dat is de hele gebeurtenis waarvan je niet weg kunt kijken. De tijd doet zijn eigen ding. (blz. 19)

Alles ligt erbij alsof het hier sinds eeuwen zo is. Maar deze vredig ogende tuin was destijds het dichtstbevolkte deel van het dorp, met nauwe straatjes en hoge sombere huizen dicht tegen elkaar aan. Hier heersten (…). Nu kronkelt een kleurige veldslang snel onder brosse takken weg voor mijn voetstap. (…) Boven de hoge rots cirkelt traag een buizerd. De stilte lijkt onheilspellend. Het is alsof ik diep onder de aarde de tijd kan horen brommen. (blz. 23)

Het leven van de van oorsprong christenvrouw Hamatoul (toen nog Vigdis Adelaïs), begint in 1070 in het noordelijk gelegen Franse Rouen. Als het meisje zeventien is, ontmoet ze in de stad waar de christenwijken rechtstreeks aan de Joodse wijk grenzen tijdens één van haar wandelingen door het centrum haar grote liefde: David Todros. Deze zoon van een opperrabbijn uit het zuidelijk gelegen Narbonne studeert er aan de Talmudische school. Omdat hij Joods is, kan hij nooit een serieuze huwelijkskandidaat zijn voor het christelijke meisje van stand. Het jonge stel vlucht. Hertmans schrijft op dit punt:

Omdat ik haar levensverhaal en de tragische afloop ervan ken, wilde ik dat ik haar kon waarschuwen voor wat haar te wachten staat. Loop door meisje, kies een andere man, ontkom aan dit lot, vlucht weg voor wat je aantrekt. Maar nee: ze wordt zo diepgaand verliefd dat ze haar hele wereld achter zich laat. (blz. 73)

Als lezer voel je het noodlot naderen, maar je weet nog niet hoe het vormgegeven zal zijn. Vigdis bekeert zich tot het geloof van haar man en zware omzwervingen volgen. Vanaf dan voert de geschiedenis Vigdis, die nu Hamatoul heet, van Rouen naar Orléans, Narbonne, Monieux, Marseille, Genua, Palermo, Caïro en Cambridge. Het is het Franse dorp Monieux, in de Provence, dat schrijver Stefan Hertmans zo goed kent, omdat hij er al vele zomers doorbrengt. Hier is het dan ook dat hij op het spoor komt van het verhaal van de bekeerlinge uit de elfde eeuw. Hij raakt gefascineerd door haar verhaal en reist haar achterna. Als lezer reis je met hem, maar meer nog met Hamatoul, mee.

Ik kon de natuur bijna ruiken, de pijn voelen, de taal horen. Zintuiglijk beschrijft Hertmans wat Hamatoul is overkomen. Regelmatig was ik ook in gedachten terug op mijn vakantie-adres van afgelopen zomer, in midden-Frankrijk. Wat is eigenlijk het verschil tussen toen en nu? vroeg ik me regelmatig met Hertmans af. Regelmatig moet Hertmans tijdens zijn reis de moderne autowegen, bruggen, supermarkten en tankstations wegdenken om zich een beeld te vormen van Hamatouls omgeving van toen. Als hij naar de natuur kijkt, de ‘basis’, de grondslag van alles, kan hij het, en kijk je met hem mee. Op sommige plekken lijkt de tijd te hebben stilgestaan. Daar ligt de essentie.

Het feit dat teksten waarin de naam van Jahweh voorkomt niet vernietigd of verbrand mogen worden volgens de joodse traditie (de Allerhoogste mag ze alleen zelf terugnemen in de vergetelheid van de eeuwen), maakt dat Hertmans dit verhaal heeft kunnen reconstrueren. In de geniza (letterlijk: schatkamer) van de Ben Ezra-synagoge van het Egyptische Fustat (in Hamatouls tijd bekend als Al-Shamiyin) zijn duizenden waardevolle documenten teruggevonden. Het belang ervan voor de Joodse cultuur is groot. Ook in Monieux, ergens in de buurt van de plek waar Hertmans zijn zomers al jaren doorbrengt en waar Hamatoul de gelukkigste, maar ook de meest afschuwelijke momenten van haar leven kende, moet nog ergens een geniza zijn. De geniza waar ten tijde van de gewelddadige buitensporigheden tegen de inwoners van het dorp (de paus had net ‘de heilige oorlog’ verkondigd) enkele bezittingen van de synagoge moeten zijn veiliggesteld door rabbijn Obadiah, wetend dat een catastrofe dreigde:

Ze laden alles in een grote zak, de jongste van de drie neemt hem op zijn rug. Ze openen het verborgen poortje aan de achterkant van de synagoge, een kleine deur die al sinds mensenheugenis vergrendeld is, voorzien voor de vlucht en gemaakt na een brand van een eeuw geleden (…). Er zijn daar twee boven elkaar liggende, ondiepe grotten. Ze verbergen de bezittingen van de synagoge in het donker van de bovenste holte. (blz. 164)

Deze bezittingen worden nu ‘de beruchte schat van Monieux’ genoemd, gevonden zijn ze nooit. Journalisten hebben zich er nog tot in de vorige eeuw mee bezig gehouden, zo schrijft Hertmans in het slothoofdstuk.

De allerlaatste zin van het boek kan mijn leeservaring niet treffender verwoorden:

De wereld tolt, maar als je even je adem inhoudt, staat hij stil. (blz. 314)

Mijn wereld stond even stil tijdens het lezen van deze intrigerende geschiedenis. Ik was bij Hamatoul en verder bestond er niets. Een goed begin van het nieuwe jaar!

————————————————————————–

Lees hier de recensie die 8 oktober 2016 in de Volkskrant verscheen.

Op 14 oktober 2016 was Stefan Hertmans te gast in het tv-programma Boeken, waar hij vertelde over zijn boek De bekeerlinge.

Geplaatst in 11e eeuw | Tags: , , , , , | 1 reactie